Prinselijk gevolg
Maastricht begroet zijn nieuwe prins elk jaar op de vierde zondag voor Carnaval tijdens een uitbundige happening op de Markt. Van dat moment af wordt Zienen Hoegen Hoeglostigheid in toenemende frequentie meegevoerd naar plaatsen waar zijn onderdanen hem toejuichen en van hem aanmoedigingen verwachten die zo nodig naar ophitsing mogen neigen. Vier weken aan een stuk, elke avond en de nodige middagen, soms tien visites op een dag.
Bij elk 'uitrukken' wordt de prins omringd door Tempeleers, bij voorkeur en traditie elf in getal. Zij worden gerekruteerd uit een genootschap van driemaal-elf. Reserves genoeg dus. Met deze aantekening echter, dat Tempeleers die niet tot het directe gevolg van de prins behoren diezelfde avond wellicht druk bezig zijn achter de schermen, als voorzitter of lid van de vele commissies en sub-commissies die de evenzovele onderdelen van het Maastrichtse carnavalsgebeuren moeten voorbereiden, begeleiden en bewaken.
Ook Tempeleers zijn 'alledaagse' Maastrichtenaren met geen of weinig franje in hun gewone doen. Tijdens hun optreden als Tempeleer echter etaleren zij bij voorkeur een aristocratische pose met een hoog gezelligheidsgehalte. Hun voorzitter draagt de titel prizzedent, de secretaris wordt aangesproken als kretser en de penningmeester als habsjaar. Daarnaast wordt aan iedere Tempeleer een persoonlijke titulatuur toegekend, meestal ontleend aan zijn professie. Zo wordt een transportondernemer aangeduid als 't Sleiperke, een aannemer als 't Truffelke, een vertegenwoordiger in de slagersbranche als 't Kermenaotsje en een advocaat als 't Befke.
Als weinig anderen in de carnavalswereld geniet de stadsprins van Maastricht de potige bescherming van een eigen garderegiment: de Kachelpiepers. Het werd in 1951 opgericht door onderofficieren van het garnizoen, maar bestaat nu reeds vele jaren uit dienstplichtvrije burgers. De manschappen zijn gestoken in originele Schotse uniformen met kilt en paardenharen tas en voeren met volkomen ongevaarlijke geweertjes kolderexercities uit. Naast de geweerdragers telt het korps ook klaroenblazers, tamboers en een marketentster. De Kachelpiepers mogen zich verheugen in de sympathie van de burgerij en treden het hele jaar door op, in binnen- en in buitenland. Hun voornaamste taak blijft het een kolderiek-militair ceremonieel te verzorgen tijdens Carnaval in eigen 'leger-plaats'.
Zoals gezegd, ligt de oorsprong van dit garderizzjemint in het Maastrichtse garnizoen. Toen dat in 1967 werd afgezwakt om plaats te maken voor een Afcent-detachement werd een beroep gedaan op leden en oud-leden van de Verkennersband Sterre der Zee, later Jan Bovy geheten. Zij waren spontaan bereid de traditie van de Kachelpiepers voort te zetten. Thans is het korps naar alle kanten 'open' en kunnen, sinds 1998, ook vrouwen toetreden.
Voor zover daarin geinteresseerd, hebben de Kachelpiepers en hun aanhang verschillende verklaringen voor de herkomst van hun naam bedacht. De een verwijst naar mortieren die in de jaren vijftig in de Tapijnkazerne werden beproefd en door de piotte met kachelpijpen zouden zijn vergeleken. Oud-gedienden uit die tijd ontkennen dit pertinent, waardoor deze naamsverklaning dus weinig geloofwaardig mag heten. In een andere lezing zou men op het exercitieveld zijn gestruikeld over een stuk kachelpijp, dat daarop prompt werd verheven tot embleem in het carnavaleske korpsvaandel. Ook al twijfelachtig. De verklaring van de naam Kachelpiepers is echter, naar belegen Maastrichts begrip, vrij eenvoudig. In de allereerste jaren van hun bestaan waren de prinselijke gardisten in militaire uniformen gestoken van Napoleontische snit, compleet met kepie. Wat lag meen voor de hand dan dit hoog militair hoofddeksel een kachelpiep te noemen, analoog aan de (tweede) bijnaam van een hoge zijden hoed, een hoege zijje.
Jans(s)en
Keren wij terug bij Zienen Hoegen Hoeglostigheid. Het hoogtepunt van diens heerschappij begint op carnavalszaterdag wanneer de burgemeester van de stad, tevens besjerremhier vaan de Mestreechter Vastelaovend, hem ten overstaan van vele andere autoriteiten en twie hemfelkes binnengesmokkelde Maastrichtse carnavalsvierders op het Plein van het Stadhuis voor drie dagen 'de macht' overdraagt. De dan volgende onstuimige regeerperiode eindigt op Aswoensdag, klokslag nul-uur-nul. Dan legt de prins muts en scepter neer en wordt hij, vaak snikkend, afgevoerd van het Vrijthof terwijl zijn vroegere onderdanen nog massaal 'Zoene gooje hobbe veer nog neet gehad' zingen. Op dat moment heet hij weer gewoon Jansen, met een of twee es-sen....
